De opleiding journalistiek aan de AP Hogeschool in Antwerpen.

History doesn't repeat itself, but sometimes it rhymes

Na Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen ontheemd. Zij waren gevangen genomen, gemarteld, moest dwangarbeid verrichten en konden niet meer terug naar huis. Dus zochten ze een plek waar de wonden konden helen en ze een nieuw leven konden opbouwen.

Ook mijn grootmoeder, Mariska Siwik, kon niet meer terug naar huis. Zij werd toen ze vijf jaar oud was, gedeporteerd naar Frankrijk. Nu, 72 jaar later, bezoek ik het concentratiekamp van Struthof.

Het is een bezoek dat mij doet nadenken. Over mijn grootmoeder en de Syrische vluchtelingen, over Polen en België, over vroeger en vandaag.

Als vluchteling in Frankrijk

Het concentratiekamp van Struthof was vanaf 21 mei 1941 operationeel. Op achthonderd meter hoogte en vijftig kilometer buiten Straatsburg werden hier duizenden mensen naartoe gebracht om te werken.

Ik word wakker van een hard gebons op de voordeur. Ik kijk slaperig om mij heen. Mijn zus Helena kijkt mij met bange ogen aan. Ik hoor mijn vader de deur openen.

“Iedereen moet binnen een uur aangekleed en met valies klaar staan. Geen excuses”, brult iemand.

Mijn moeder komt onze kamer binnen. “Kom meisjes, we moeten ons aankleden.”

“Maar waarom?,” vraagt Helena.

“We gaan op reis”, antwoordt mijn moeder. “Naar Frankrijk.”

Mariska (helemaal in het wit) tijdens een begrafenis in Godynice, Polen (1940)
Mariska (helemaal in het wit) tijdens een begrafenis in Godynice, Polen (1940)

In totaal werden 52.000 mensen naar Struthof gebracht. Eerst een deel met de trein, daarna met vrachtwagens. De gevangenen zaten op elkaar gepakt. Velen waren blij dat de oncomfortabele reis erop zat.

We zitten al urenlang in de vrachtwagen. Het is pikdonker, dus ik kan niks zien. Het enige dat ik weet, is dat er heel veel mensen in de kleine laadruimte zitten.

Gaan zij ook allemaal op reis? Ik hoor mijn moeder snel ademen: ze is bang. Ik neem haar hand. Ik ben ervan overtuigd dat alles goed zal komen. Waarom zouden die soldaten ons iets doen? Wij hebben toch niks verkeerd gedaan? We mogen zelfs op vakantie!

Er is geen enkele reden om bang te zijn. Denk ik.

Mijn moeder komt onze kamer binnen. “Kom meisjes, we moeten ons aankleden.” “Maar waarom?,” vraagt Helena. “We gaan op reis”, antwoordt mijn moeder. “Naar Frankrijk.”

Alle gevangenen die in Struthof aankwamen, werden gecontroleerd. De kleine kinderen, zieken en bejaarden werden rechtstreeks naar de gaskampers gestuurd. De andere gevangen werden naar grote ruimtes geleid. Iedereen moest zijn kleren uittrekken en kreeg een hemd en broek uit dunne stof. Het haar werd afgeschoren.

Eindelijk mogen we uit de vrachtwagen. Het felle licht verblindt mij na die vele uren in de donkere camion. Overal zie ik mensen met valiezen. Er is chaos en mijn ouders kijken twijfelend om zich heen.

“Iedereen in een rij!”, brult een man.

Hij draagt een kaki pak met gouden knopen. Hij ziet er gevaarlijk uit. Haastig gehoorzaamt iedereen. We moeten lang aanschuiven en ik zie niet wat er vooraan gebeurt.

Uiteindelijk vang ik een glimp op van wat er gebeurt. Foto’s! De soldaten nemen foto’s van ons!

Ik probeer vlug mijn haar te fatsoeneren.

“Volgende!” Het is aan mij vader. Hij krijgt een kaartje op zijn borst met een nummer erop.

“Volgende!” Maar mijn drie broers mogen niet op foto. Zouden enkel grote mensen op de foto mogen?

Ik kijk naar mijn moeder, maar haar blik is op mijn vaders en mijn broers gericht. Ze moeten een soldaat volgen naar een kamer, waar ze naar binnen worden geleid. De deur slaat dicht.

“Volgende!”

Mijn moeder gaat op de kruk gaan zitten. Zij krijgt ook een nummer, maar het is een ander nummer dan mijn vader. Ze lacht niet. Ik word kwaad: als ik op de foto zou mogen, zou ik mijn mooiste lach naar boven halen.

“Volgende!” Mijn moeder, Helena en ik moeten een andere soldaat volgen. Het is niet dezelfde kamer als die van mijn vader.

De kamer is meer een zaal. Overal staan er vrouwen met hun dochters, tantes, zussen, buurvrouwen en nichten. De enige mannen die in de zaal rondlopen, zijn soldaten.

“Uitkleden!”

Iedereen kijkt schuw om zich heen.

“Uitkleden!”, roept de soldaat nog eens en hij slaat een vrouw in haar gezicht.

Iedereen gehoorzaamt en kleedt zich vlug uit. Niemand durft op te kijken en ook ik staar naar de grond uit schaamte.

Enkele dokters inspecteren de vrouwen. Ook de commandant met zijn kaki pak bekijkt iedereen van kop tot teen. Ik voel het schaamrood op mijn wangen.

“Kleren aan!” Ik trek vlug mijn hemd over mijn hoofd en mijn moeder helpt mij om mijn broek aan te doen. Het is de eerste keer dat ik mijn moeder naakt zie.”

Mariska met haar eerste zoon (1961)
Mariska met haar eerste zoon (1961)

De gevangenen in Struthof moesten zware lichamelijke arbeid verrichten. Ze werkten urenlang aan een stuk door. De Duisters hadden voor Struthof gekozen omdat er graniet aanwezig was. Elke dag moesten de gevangenen met een houweel graniet kappen. Het is een terugkerend verhaal: de Duitsers gebruikten hun gevangen als slaven om hun oorlog te bekostigen.

“Eindelijk zijn we er! Frankrijk! Nadat we uit de zaal kwamen, mochten we weer bij mijn vader en broers gaan staan. De gezinnen met grote en sterke zonen werden weggeleid. Ik weet niet waar ze nu zijn.

Wij moesten weeral in een vrachtwagen zitten. Mijn vader zegt dat we ongeveer vijf uur hebben gereden. Het leken wel vijf dagen voor mij!

Maar zijn we er. Een andere commandant zegt nu wat we moeten doen. Hij lijkt niet zo streng als die vorige.

“Dit is jullie nieuw huis”, en hij wijst naar een klein huisje. Het lijkt niet echt een vakantiewoning. Mijn moeder zegt dat dit dorp Chauvency Saint Hubert heet.

“Jullie mogen jullie valiezen uitpakken en wachten op nieuwe instructies.”

Het huis is niet echt gezellig: er hangt nergens een schilderij of een foto, het behang komt al los en de trap kraakt.

Er zijn maar twee slaapkamers. Dat betekent dat mijn broers en Helena en ik samen moeten slapen. Hopelijk snurken ze niet!

De gevangenen die niet rechtstreeks naar de gaskamer werd gestuurd, hielden het meestal niet lang vol in Struthof. Wie ‘geluk’ had, kwam net voor de zomer aan in het kamp. Door de draagbare temperaturen overleefden de gevangenen doorgaans de zomer. De winter was een ander verhaal. De porties eten waren minimaal waardoor de mensen snel verzwakten.

Het werk valt eigenlijk best wel mee. Alleen jammer dat het zo saai is. Mijn vader en mijn broers bewerken het land: spitten, zaaien,..

Helena en ik moeten het onkruid uittrekken en moeder wast de groenten. Het is leuk om buiten te zijn, maar ik vraag mij af wat we zullen moeten doen tijdens de winter.

Mijn maag knort, maar ik weet dat het nog even zal duren voor ik eten krijg.

Elke week komt onze commandant langs met voedsel. We krijgen zeven broden, een homp kaas, groenten en wat fruit.

Eigenlijk is dat veel te weinig, dus verstopt mijn moeder elke dag enkele aardappelen.

Ze schilt en kookt die pas als het donker is.

Ze is bang dat de commandant het ontdekt, maar hij is niet de slimste. Hij heeft niet door dat mijn moeder aardappelen achterhoudt.

Of hij weet het wel, maar knijpt een oogje dicht.

Gelukkig maar, zonder die aardappelen zou ik elke nacht buikpijn hebben van de honger.

De mensen in het dorp hiernaast hebben minder geluk. Mijn vader heeft opgevangen dat ze daar ook aardappelen hadden achtergehouden.

De plaatselijke commandant heeft het ontdekt en een vrouw verkracht terwijl iedereen moest toekijken. Sindsdien eten we alleen maar aardappelen als het donker is.

In Struthof waren de gevangenen een mix van nationaliteiten. Ze waren afkomstig uit Frankrijk, Nederland, Polen, Noorwegen, Duitsland en de Sovjet-Unie. Wie zijn best deed, kreeg beter werk. Lakens verversen was beter dan graniet kappen: je mocht binnen werken en je was minder snel uitgeput.

“We zijn hier nu al een jaar in Chauvency Saint Hubert en het werk gaat al beter dan in het begin. Sinds enkele weken mogen we een heel klein deeltje van onze oogst zelf houden.

Dat komt omdat er een nieuwe baas is. Het is geen Duitser, maar een Tsjech. Hij heeft ook op de velden gewerkt, net als ons.

Mijn vader zegt dat die man promotie heeft gekregen. Ik versta niet goed wat dat betekent. Maar de commandant komt wel veel minder langs. Dat is goed nieuws. Nu moeten we niet steeds wachten tot het donker is om aardappelen te eten.”

Mariska en haar moeder Antonina tijdens Kersmis (1985)
Mariska en haar moeder Antonina tijdens Kersmis (1985)

Uiteindelijk stierven er 22.000 mensen in Natzweiler-Struthof. De commandant van Struthof zei ooit: “de enige manier om hier buiten te geraken, is via de schoorsteen.”

De meeste overleden door ziektes of van de honger. In september 1944 evacueerden de nazi’s het kamp omdat de geallieerden dichterbij kwamen. Uiteindelijk werd Natzweiler-Struthof officieel door de Amerikanen bevrijd op 23 november 1944.

Nu ik erop terugkijk, is de oorlog voor mijn ouders nooit gestopt. Integendeel, toen we voor de Duitsers moesten werken, waren er geen andere opties. Na de oorlog lag de hele wereldvoor onze voeten.

Mijn vader wou terug naar Godynice, ons dorp in Polen, maar mijn moeder weigerde. Het is de neef van mijn vader die verantwoordelijk is voor onze deportatie. Hij zou aan de soldaten gezegd hebben dat ons gezin niet hard genoeg werkt.

De waarheid is dat die neef al jarenlang onze grond wou kopen. Mijn moeder wou geen voet meer in Godynice zetten. Ze is er nooit meer teruggekeerd.

Na de oorlog ging ons gezin naar een nieuwe boerderij. De eigenaars waren Fransen die arbeiders zochten om op het veld te werken. Het was de hel.

We kregen minder te eten dan tijdens de oorlog, hadden maar drie matrassen mo met zeven mensen te delen. Het hadden letterlijk niks.

Toen kwamen de geallieerden naar de boerderij. Ze waren op zoek naar nazi’s. Na de oorlog doken zij massaal onder. Ze wisten dat ze vervolgd zouden worden. Ook de commandant van ons dorp werd gezocht.

Een van de Amerikaanse soldaten had Poolse roots en sprak ons aan. Hij vertelde ons over een vluchtelingenkamp ergens in de Ardeche. Daar zou het beter zijn.

We zijn dezelfde dag nog vertrokken. We hadden niks te verliezen.

Maar in het vluchtelingenkamp waren er veel ziektes. We kregen er meer te eten en de mensen waren er vriendelijk, maar dit was geen leven. Ik werd ziek en de dokters in het kamp besloten dat ik een tijdje naar een sanatorium moest.

Want ik ben veel meer dan een vluchtelinge: ik ben weduwe, moeder, grootmoeder en overgrootmoeder. Ik ben huismoeder, poetsvrouw, tekenleerkracht en kokkin. Ik ben Pools, Frans en Belgisch. Ik ben Mariska.

Dus gingen mijn oudste broer en ik samen met de bus naar het kasteel van Villevaudé, vlakbij Parijs. Wat was een hele reis: met de bus hebben meer dan zeshonderd kilometer afgelegd.

Ik ben daar uiteindelijk enkele maanden gebleven. Ik kreeg er les van de verpleegsters en leerde er tekenen.

Ondertussen ging mijn vader op zoek naar werk. Hij had er zich bij neergelegd dat we in Frankrijk bleven. Uiteindelijk hoorde hij dat er een fabriek zou openen in Roubaix, een stad helemaal in het noorden van Frankrijk.

We zijn uiteindelijk op 28 juni 1948 in Roubaix aangekomen. Ik dacht dat dat ons nieuw begin zou zijn. En voor mij, Helena en mijn broers was dat ook zo.

Antonina, een paar maanden voor haar dood (1991)
Antonina, een paar maanden voor haar dood (1991)

Ik ben Mariska

Maar met mijn moeder ging het alleen maar bergaf. Ze heeft het verraad van haar aangetrouwde neef en de deportatie nooit verwerkt.

Ze is haar hele leven bij mij blijven wonen. Tijdens de laatste jaren dat ze leefde, liep ze steeds vaker weg. Ze was ervan overtuigd dat de Duitsers haar terug zouden komen halen. Zij en mijn vader waren ook volledig uit elkaar gegroeid. Ze zijn nooit gescheiden want dat was taboe, maar de wonden waren te diep voor mijn moeder. Maar mijn broers en zus hebben een voor een een prachtig leven opgebouwd.

Als ik nu de krant lees of de naar televisie kijk, word ik soms kwaad. Veel mensen willen die vluchtelingen buiten, maar ze beseffen niet hoeveel potentieel die mensen hebben. Zij zien enkel de vluchteling, maar ik zie leerkrachten, ingenieurs, dokters en architecten. En als iedereen wat meer zou stilstaan bij hoeveel mensen onder ons eigenlijk afstammen van vluchtelingen, zou er geen enkel probleem zijn. Want ik ben veel meer dan een vluchtelinge: ik ben weduwe, moeder, grootmoeder en overgrootmoeder. Ik ben huismoeder, poetsvrouw, tekenleerkracht en kokkin. Ik ben Pools, Frans en Belgisch. Ik ben Mariska.